Inleiding
Grote posters in tramhokjes laten aantrekkelijke, vitale mannen en vrouwen zien. Op tv, in de bioscoop, in tijdschriften worden we dagelijks geconfronteerd met reclames waarin vooral ‘mooie’ mensen figureren. We wéten natuurlijk dat ‘je innerlijk belangrijker is dan je uiterlijk’, maar kunnen bijna niet om de dictatuur van de hedendaagse schoonheidsnormen heen. Veel mensen zijn dan ook ontevreden met hun uiterlijk: zij voldoen niet aan die normen. Vooral onzekere mensen zijn daar uiterst gevoelig voor.
Sommigen zijn veel méér dan ontevreden, zij líjden onder hun onaantrekkelijkheid. Maar niemand meldt zich bij de ggz aan ter behandeling van lelijkheid. Welke maatschappelijk werker of psycholoog zou immers iets aan hun onaantrekkelijkheid kunnen veranderen? Wij bieden een specifieke therapie aan die dat wél doet: wij helpen mensen de obsessie met hun uiterlijk los te laten.
Wat is BDD
Mensen met BDD (Body Dysmorphic Disorder) lijden onder de overtuiging lichamelijk onaantrekkelijk te zijn. Vrijwel altijd gaat het om ingebeelde lelijkheid, dat wil zeggen: voor de waarnemer, niet voor de betrokkene zelf. Soms wordt BDD dan ook wel aangeduid als monosymptomatische hypochondrie.
Die preoccupatie met de eigen verschijning gaat gepaard met negatieve verwachtingen, zoals het niet vinden van een levenspartner, geen kans maken op een representatieve baan, niet opgenomen worden in een vriendenkring.
Schaamte over het eigen voorkomen is meestal gebaseerd op slechts één (hooguit twee of drie) kenmerken (bijvoorbeeld: haarkleur, dunne benen, een rare snijtand, een pukkel, lengte, overbeharing). Dit kenmerk overheerst het totale lichaamsbeeld. Men valt als het ware samen met zijn lichamelijke onvolkomenheid.
Maar anderen zien iemand in zijn geheel. Dat wil zeggen: zij zíen vermoedelijk het afgekeurde lichaamsdeel wel, maar ook alle andere. Bovendien is het nog maar de vraag of – áls het lichaamskenmerk in kwestie hen opvalt, of ze het dan afkeuren. En zouden ze het afkeuren, dan is het nog niet gezegd dat ze de betrokkene daarom negatief zouden bejegenen, door haar of hem bijvoorbeeld links te laten liggen.
Kern van het programma
Uitgangspunt: we benoemen BDD in het programma als negatieve lichaamsattitude.
Het voordeel daarvan is dat men bij de behandeling kan aansluiten bij de psychologische kennis over attitudeverandering. Een attitude kan wijzigen onder invloed van contra-informatie en/of het uitvoeren van handelingen die niet stroken met de attitude.
Groepstherapie
Wij bieden de therapie groepsgewijs aan. Nu lijkt groepstherapie het minst voor de hand te liggen voor cliënten die aan BDD lijden. Maar wij bieden het programma op die manier aan, juist omdat negatieve lichaamswaardering zich het sterkst doet voelen in een sociale omgeving. Groepstherapie biedt bovendien allerlei mogelijkheden voor een gevarieerde aanpak: met rollenspel, communicatie-oefeningen, elkaar inschakelen bij opdrachten, aanraakoefeningen en indrukken uitwisselen. Daarbij komt dat de dynamiek in een groep goed te gebruiken is om een gedragsverandering te bewerkstelligen.
Hard werken én lachen De benadering doorbreekt taboes en is zo gestructureerd dat er hard gewerkt, maar ook gelachen wordt. Vooral de aanpak in kleine stappen, met behulp van taxatie van eigen competentie en taxatie van het effect, blijkt waardevol (en bruikbaar voor de behandeling van andere klachten).
Therapeuten
Dr Iman Baardman studeerde sociale psychologie aan de VU te Amsterdam. Na zijn studie werd hij benoemd tot wetenschappelijk medeweker bij de vakgroep Sociale Psychologie. Zijn vakgebied was groepsdynamica.Door een onderzoek naar het rendement van verschillende (psycho)therapieën kwam hij in contact met de intramurale psychiatrie. De sfeer en het werk gingen hem zodanig boeien dat hij op een vacature reageerde en werd benoemd. Na ca vijf jaar ging hij terug naar de VU; nu bij de Faculteit der Bewegingswetenschappen, bij de sectie “bewegen in het kader van hulpverlening”. Hij promoveerde op Ingebeelde Lelijkheid gedurende zijn laatste benoeming.
Drs. Deine Meeng-Broekhoven volgde na haar doctoraal examen psychologie in Leiden een postdoctorale basistherapeutenopleiding bij de Stichting Regionale Instelling Nascholing en Opleiding, RINO, en een groepstherapeutenopleiding bij de Nederlandse Vereniging voor Groepstherapie, NVGP. Zij werkte als groepstherapeut in de kliniek van het Centrum ’45 in Oegstgeest. Daar specialiseerde zij zich in (oorlogs)traumabehandeling en angst en depressie.
Daarna heeft zij groepsbehandelingen geleid in de ouderenkliniek van het Sinai Centrum in Amersfoort. Daar heeft ze de aanzet gegeven om een dagkliniek op te zetten voor oudere getraumatiseerde mensen en hun familieleden.
Om blokkades in het therapieproces te doorbreken ontwikkelde zij samen met een muziektherapeute een methodiek waarbij degenen die de oorlog hadden meegemaakt en hun kinderen, eerst met leenouders en daarna met hun eigen ouders, in een groep kwamen: ‘Van je familie moet je het hebben’, Meeng/Kluck-Walpot, Handboek voor Muziektherapie, 2003.